De marteldood van Polycarpus.


De houten kar dendert door de geplaveide straten van Smyrna. Het geschreeuw en gejuich van een uitzinnige menigte in de arena is al hoorbaar. Wilde honden, luid blaffend, volgen de houten kar door de straten. Kinderen met gebruinde gezichten springen snel voor de kar opzij.

Hun ogen staan wijd open van opwinding. Onbekende, naamloze gezichten kijken uit de

ramen naar de in de kar voorbij rijdende gevangene.


De kar stopt net buiten de massieve muren van de arena. De bewaker verwondt de gevangene door hem bruut van de kar te gooien, alsof het een zak vuil is. Wekenlang heeft het volk geschreeuwd om de arrestatie en terechtstelling van deze man. Maar deze oude broze man met zijn gezicht getekend door vele rimpels, lijkt absoluut niet op een gevaarlijke misdadiger. Zijn haar en baard zijn zo wit als Mediterrane wolken aan de middaghemel. Begeleid door enkele gewapende bewakers strompelt de bejaarde gevangene de arena binnen. Onder de toeschouwers verspreid zich snel het nieuws dat dit Polycarpus is, de verachtelijke misdadiger wiens dood zij willen zien. Zijn misdaad? Hij is de plaatselijke leider van een sekte die christenen genoemd worden.


Onder begeleiding van het bloeddorstige opgewonden geschreeuw van de menigte brengen de soldaten hem naar de plek waar de Romeinse proconsul zit. Als de proconsul de oude strompelende man ziet, verkleurd zijn gezicht van schaamte. Dus dit is de zo gevaarlijke misdadiger die zoveel oproer heeft veroorzaakt. Een eenvoudige oude man. De proconsul, gekleed in zijn paarse mantel die wuivend in de lichte avondwind beweegt, buigt zich voorover van zijn stoel en richt zich persoonlijk tot de oude gevangene en zegt: 

“De Romeinen voeren geen oorlog tegen oude mannen. Zweer simpelweg bij de goddelijkheid van Caesar en ik laat je vrij.”

“Dat kan ik niet doen”, antwoordt Polycarpus.

“Roep dan maar, weg met de atheïsten, dat is voor mij ook genoeg.” (Vele Romeinen geloven

namelijk dat de christenen atheïsten zijn omdat ze geen tempels of beelden van goden

hebben.)


Rustig strekt Polycarpus zijn gerimpelde arm uit en brengt deze in een cirkel bewegend naar

de vol van haat vervulde menigte. Intens zijn blik naar de hemel richtend, roept hij: “Weg met

de atheïsten!”


De proconsul is voor een ogenblik ontdaan door de reactie van de oude man. Ondanks dat hij heeft gedaan wat hem was opgedragen, realiseert de proconsul zich, door de reactie van de menigte, dat het onmogelijk voor hem geworden is om Polycarpus vrij te laten.


“Vervloek Jezus Christus!”, draagt hij Polycarpus op.

Een kort moment kijkt Polycarpus met zijn doordringende bruine ogen naar het strakke gezicht van de proconsul. En antwoordt hem met kalme stem: “Achtenzestig jaar lang heb ik mijn Heer Jezus gediend en nooit heeft Hij mij op welke manier dan ook maar in de steek gelaten. Hoe kan ik dan mijn Koning en Verlosser vervloeken?”


Bij de menigte die het gesprek niet kan volgen, groeit het ongeduld. Bang geworden voor de uitzinnige menigte, dringt de proconsul er nogmaals bij Polycarpus op aan te zeggen: “Zweer bij de goddelijkheid van Caesar!”


“Omdat u zich blijft voordoen alsof u niet weet dat ik een christen ben”, antwoordt Polycarpus kalm, “zal ik uw taak makkelijker maken. Ik verklaar zonder schaamte dat ik een christen ben.

Als u wilt weten wat christenen geloven, vertel mij dan wanneer u tijd heeft en ik zal het u

uitleggen.”


Duidelijk nerveus geworden antwoordt de proconsul: “Probeer mij niet te overtuigen; overtuig

hen”, roept hij terwijl hij naar de menigte wijst. Polycarpus kijkt naar de menigte die ongeduldig wacht wanneer hun bloedig vermaak gaat beginnen en zegt: “Nee, ik verlaag de leringen van Jezus niet om te proberen deze menigte te overtuigen.”


De proconsul duidelijk geïrriteerd reageert met stemverheffing: “Besef je niet dat ik wilde dieren tot mij beschikking heb. Ik laat ze onmiddellijk los als je je niet bedenkt.”

“Wel nu, laat ze maar los”, antwoordt Polycarpus zonder enige angst in zijn stem. “Wie zou het goede verlaten om dat wat slecht is te gaan navolgen?”


De proconsul is gewend dat zelfs de meest geharde misdadiger voor hem zwicht. Maar deze oude man weerstaat hem zonder enig angst. De proconsul, enigszins van zijn stuk gebracht schreeuwt: “Omdat wilde dieren je niet bang kunnen maken, luister en weet, dat ik je levend laat verbranden als je niet onmiddellijk die Jezus Christus verloochent!”


Vol van Heilige Geest straalt Polycarpus van vreugde en zelfvertrouwen. “U bedreigt mij slechts met vuur dat brandt voor een uur en dan dooft. Heeft u niet gehoord van het vuur van het komende oordeel en de eeuwige straf voor de goddelozen? Waar wacht u nog op? Doe met mij wat u wil.”


Dit was niet de manier zoals het moest gaan. De proconsul werd geacht de machtige overwinnaar met de gevangene op zijn knieën smekend om genade. Maar deze gevangene, deze oude man, was niet bang. De proconsul zonk achterover terug in zijn stoel, zijn vernederende verlies dragend. 


Omdat het stadion zo groot is, worden er herauten gezonden naar alle hoeken van het stadion om over te brengen wat Polycarpus gezegd had. Een golf van woede vervult de menigte nadat Polycarpus’ slotverklaring is overgebracht. Zij konden doen met hem wat zij wilden. Schreeuwend om Polycarpus’ dood, rennen ze door de gangen en deuren van het stadion naar buiten. Als waanzinnigen gaan ze door de straten van de stad en verzamelen al het hout dat ze kunnen vinden. Ze plunderen winkels en nemen zelfs al het brandhout voor de publieke badruimten mee. Teruggekomen in de arena hebben ze hun armen vol met hout voor de brandstapel. Ze stapelen het hout om een recht opstaande paal aan welke de bewakers zijn begonnen Polycarpus vast te binden.


Polycarpus spreekt op een rustige toon zijn bewakers toe en zegt: “Laat mij ongebonden staan. Hij die mij de kracht geeft om het vuur te verdragen zal mij ook de kracht geven om tegen de paal te blijven staan zonder te zijn vastgebonden.”


Na Polycarpus te hebben toegestaan om te bidden, wordt het hout door de soldaten aangestoken en sterft Polycarpus de marteldood. 


Door Polycarpus te verbranden dacht de bevolking van Smyrna dat ze ook zijn naam voor altijd hadden uitgewist en dat ze een einde hadden gemaakt aan de bijgelovige gehate groep die ze christenen noemden. Maar net als de proconsul, onderschatten zij schromelijk de veerkracht en de vaste overtuiging van de christenen. De dood van Polycarpus intimideerde de christenen niet, maar inspireerde ze meer en meer. In plaats van te verdwijnen, groeide de Christenheid alleen maar. 


Maar ironisch genoeg. Wat de Romeinen niet voor elkaar kregen, werd uiteindelijk wel bereikt door belijdende christenen zelf. In onze tijd kennen veel mensen Polycarpus niet meer en het Christendom van zijn tijd is onbekend voor velen in onze huidige westerse maatschappij.